Over vastzitten, loslaten en de kunst van het vragen

Gisteren waren we met acht mensen bij elkaar tijdens onze CreaVisiedag. Het onderwerp was misbruik.

Acht mensen, acht levens, acht verschillende verhalen. Ieder van ons had op een of andere manier ervaren dat er iets was aangetast, overschreden of afgenomen. We werkten met de Vreugde en Vervreemdingscirkel van Leonie Linssen.

Bij mij ging het over mijn weten.

Ik groeide op binnen een geloof waarin veel al vaststond. Er was een waarheid, en die waarheid bepaalde wat ik mocht geloven, denken en soms zelfs voelen. Mijn eigen weten kon daar niet zomaar naast bestaan.

Langzaam werd de stem van buiten sterker dan mijn stem van binnen. En daarmee ontstond onzekerheid.

Wat is waar? Hoe hoort het? Wat moet ik doen? Kan ik wel vertrouwen op wat ik voel?

Gisteren realiseerde ik me dat er dan iets heel fundamenteels beschadigd raakt: je innerlijke kompas.

Oriëntatie vraagt om onderscheid

Ik werk al langere tijd met de Windroos, het planetaire kompas en met de vraag: waar ben ik?

Steeds opnieuw ontdek ik hoe fundamenteel die eenvoudige vraag is. Want om te weten waar ik ben, moet ik kunnen onderscheiden.

Wat gebeurt er?, en wat voel ik?, ook wat denk ik?, en wat komt van mij?, of wat heb ik van een ander overgenomen?, is er iets wat om mij heen gebeurt ?, en wat heb ik nodig?

En vooral: wie ben ik te midden van alles wat er in mij en om mij heen gebeurt?

Dat is differentiatie. Niet alles wat ik ervaar, ben ik. En juist dat kleine verschil schept ruimte.

Op de lamp gevangen

Sinds het overlijden van Arno houdt de kunst van het vragen mij bezig.

Arno kon ontzettend veel zelf. Hij was sociaal, intelligent, direct, en kon veel voor andere mensen betekenen. Maar toen hij zelf steeds verder klem kwam te zitten, bleek hulp vragen buitengewoon moeilijk.

Zijn opa had daar een bijzondere uitdrukking voor: hij is op de lamp gevangen. Steeds meer opgesloten raken in een situatie, en uiteindelijk ook in jezelf.

Nu we bezig zijn met de GoFundMe en met het festival Voorstraat Noord waar we aandacht willen vragen voor zijn verhaal, kijk ik daar opnieuw naar. Want wat gebeurt er wanneer een probleem en degene die het probleem heeft niet meer goed van elkaar te onderscheiden zijn?

Dan wordt ik heb schulden algauw ik heb gefaald. En ik kan dit niet oplossen wordt ik kan het niet.

Schaamte wordt niet langer iets wat ik ervaar. Ik schaam mij voor wie ik ben. Zo wordt een praktisch probleem langzaam een identiteitsprobleem.

En precies daar komt voor mij oriëntatie binnen. Want oriëntatie kan differentiatie brengen.

Ik ben niet mijn schuld, niet mijn onvermogen en ik ben niet mijn schaamte.

Ik héb een financieel probleem, ik ervaar schaamte, ik merk dat ik het zelf probeer op te lossen, ik kom er niet uit, ik heb iemand nodig.

Voel eens hoeveel ruimte er ontstaat zodra we de elementen uit elkaar halen. Het probleem bestaat nog steeds. De schuld is niet verdwenen. Maar er is ineens weer iemand die zich tot het probleem kan verhouden.

Ik ben hier. En dáár is mijn probleem. Er ontstaat ruimte tussen mij en wat ik draag. En in die ruimte kan een beweging ontstaan.

Van ik ben naar ik ervaar

Misschien is dit wel een van de belangrijkste functies van een innerlijk kompas. Het vertelt mij niet wat ik moet doen. Het helpt mij onderscheiden waar ik mij bevind ten opzichte van wat er gebeurt.

Ik bén niet mijn angst, ik ervaar angst, ik bén niet mijn verdriet, ik heb verdriet, ik bén niet mijn tekort. Er is iets wat ik niet kan, ik bén niet mijn behoefte, ik heb iets nodig.

Dat laatste is belangrijk. Want pas wanneer ik kan herkennen dat ik iets nodig heb, kan ik daar verantwoordelijkheid voor nemen. En pas dan kan ik vragen.

De kracht van acht

We waren met acht. De kracht van acht zat niet in acht mensen die hetzelfde konden. Integendeel.

Ieder bracht eigen wonden mee, maar ook eigen talenten en vermogens. Waar de één iets niet zag, zag een ander het wel. Daar waar iemand woorden miste, vond een ander ze. Ook al liep de één vastliep, de ander bracht beweging.

Niemand bezat het geheel. En niemand hoefde het geheel te bezitten.

Vannacht droomde ik over broederschap. Ik begin te begrijpen waarom.

Broederschap ontstaat niet doordat we elkaar niet nodig hebben. Ze ontstaat juist wanneer we voldoende onszelf kunnen zijn om te kunnen zeggen: dit is wat ik kan, dit is wat ik niet kan, dit is wat ik kan geven, en hier heb ik jou nodig.

Misschien is dat volwassen afhankelijkheid. Niet jezelf kwijtraken in de ander. Niet verwachten dat de ander je leven oplost. Maar ook niet jezelf opsluiten in het idee dat je alles alleen moet kunnen.

De kunst van het vragen

Een vraag lijkt zo eenvoudig. Maar werkelijk vragen vraagt veel.

Ik moet eerst kunnen voelen dat ik iets nodig heb. Daarbij moet ik kunnen verdragen dat ik iets niet zelf kan. Ook moet ik mijn behoefte zichtbaar durven maken. Ik moet de ander vrijlaten om ja of nee te zeggen. En ik moet kunnen ontvangen wanneer het antwoord ja is.

Daarom zie ik hulp vragen steeds minder als het tegenovergestelde van eigenaarschap. Hulp vragen kan juist een daad van eigenaarschap zijn. Dan volgt: Ik erken waar ik ben, ik zie wat er gebeurt, ik onderscheid wat ik kan van wat ik niet kan. En ik neem verantwoordelijkheid voor de volgende beweging.

Soms is die beweging: ik heb jou nodig, wil je me helpen?

Wat zou jij vragen?

Arno kan die vraag niet meer stellen. Wij kunnen hem wel meenemen.

Daarom wil ik tijdens het festival niet alleen aandacht vragen voor de GoFundMe die is opgezet rondom wat Arno heeft achtergelaten. Ik wil aandacht vragen voor de kunst van het vragen.

Want hoeveel mensen lopen rond met iets wat steeds groter wordt, terwijl niemand het weet?

Een financieel probleem. Verdriet. Eenzaamheid. Een praktisch probleem. Een verlangen. Een behoefte. Een idee waarvoor je iemand anders nodig hebt.

We leven in een cultuur waarin zelfstandigheid gemakkelijk wordt verward met alles zelf kunnen. Maar een mens bestaat niet alleen. We hebben elkaar nodig.

Daarom wil ik je één vraag meegeven: wat zou jij vragen, als je wist dat je niemand tot last was?

En als daar onmiddellijk een antwoord opkomt, blijf er dan eens bij. Niet om het meteen op te lossen, maar om te onderzoeken: wat heb ik nodig? Aan wie zou ik dit kunnen vragen? En wat houdt mij tegen om het werkelijk te doen?

Misschien begint het herstel van ons innerlijke kompas niet met weten welke kant we op moeten. Misschien begint het met voldoende onderscheid kunnen maken om te zeggen: dit ben ik, dit draag ik. Dat zijn niet dezelfde dingen.

En vanuit die plek kan ik opnieuw om mij heen kijken. Naar de ander, naar de gemeenschap en naar de mensen die iets kunnen wat ik niet kan.

Dan wordt de vraag geen teken van zwakte. De vraag wordt een richting.

Zeven overwegingen bij: op de lamp gevangen

  1. Wat zou jij vragen, als je wist dat je niemand tot last was?
  2. Waar in je leven is een probleem stilaan een identiteitsprobleem geworden?
  3. Welke stem is bij jou sterker geworden dan je eigen weten, en wanneer is dat begonnen?
  4. Wanneer je zegt “ik kan het niet”, welk gevoel gaat daaraan vooraf?
  5. Wie in jouw leven ken je goed genoeg om te zeggen: dit kan ik, dit kan ik niet, en hier heb ik jou nodig?
  6. Wat houdt jou tegen om een vraag die al langer in je leeft, hardop te stellen?
  7. Als je vandaag je innerlijke kompas zou raadplegen, waar zou het je heen wijzen?

Deze blog is geschreven naar aanleiding van de CreaVisiedag over misbruik, en de voorbereidingen voor het festival Voorstraat Noord rond het verhaal van Arno en de bijbehorende GoFundMe.

Wil je meer weten, met me samenwerken, een gratis orientatiegesprek laat het me weten. Voor het gratis ebook, klik hier.

Reageer

Via Sophia